In gesprek met Angela van Amerongen over leven naast een forensische kliniek
Categorieën
In de vijfde aflevering van de Stem van Zeist spreekt burgemeester Joyce Langenacker met Angela van Amerongen, inwoonster van Den Dolder, over leven naast een forensische kliniek.
De Stem van Zeist
Burgemeester Joyce Langenacker spreekt met inwoners over alles wat speelt in onze gemeente. Van kleine momenten tot grote verhalen: dit is Zeist, verteld door de mensen zelf.
Deze tekst is automatisch gegenereerd en kan fouten bevatten.
Dit is De Stem van Zeist. In deze podcast stapt burgemeester Langenacker op de fiets en gaat ze in gesprek met inwoners uit alle delen van onze gemeente: over wat er echt speelt, wat ons verbindt en wat Zeist zo bijzonder maakt. Van kleine momenten tot grote verhalen. Dit is De Stem van Zeist.
Voor deze aflevering ben ik in Den Dolder, een van de mooie kernen van onze gemeente. Een dorp midden in het groen, maar goed bereikbaar met een station, een uitgebreid winkelcentrum en veel betrokken inwoners. Angela van Amerongen woont hier al jaren. Zij kent het dorp, de mensen en de sfeer die Den Dolder zo bijzonder maakt.
Maar Den Dolder heeft ook een zware tijd achter de rug. Een dodelijk steekincident raakte het dorp diep. Zulke gebeurtenissen laten sporen na in een gemeenschap en in het dagelijks leven van de mensen die er wonen. Hoe ga je om met angst en onzekerheid? Hoe vind je elkaar weer? En wat betekent het om hier te blijven wonen, juist in tijden van spanning?
Daarover ga ik met Angela in gesprek. Ik tref haar aan voor de deur van haar huis.
Ze lacht dat ze me eigenlijk graag binnen had uitgenodigd, maar het hele huis staat op zijn kop omdat er verbouwd wordt. Overal dozen, kratten en rommel. “Na de verbouwing ben je van harte welkom,” zegt ze. “Maar nu is het misschien niet zo handig om binnen te gaan zitten. We gaan een stukje lopen. Ik neem je mee de wijk in, het dorp in, het mooie bos in. Kijken wat we daar kunnen bespreken.”
Voor het hoekhuis staat een grote container met tegels en puin. De komende maand wordt er verbouwd om het leefgenot met vier kinderen te vergroten. Het zegt mij ook dat ze voorlopig niet weg wil uit Den Dolder. Dat bevestigt ze als we gaan wandelen. Tijdens haar studie was ze even weg, maar ze kwam snel terug.
Ze vertelt hoe ze destijds uitweek naar Tiel. Op zich een prima alternatief, maar toch miste ze het dorp, haar familie en haar vrienden hier. Na een aantal jaren verhuisde ze weer terug richting Den Dolder. Eerst woonde ze aan de Pleineslaan, daarna even aan de Heeserenkweg. Na een paar verhuizingen woont ze nu al sinds 2015 in haar huidige huis. “Dus alweer een jaar of tien,” zegt ze.
Ik vraag haar waarom ze opnieuw bewust voor Den Dolder heeft gekozen en nu weer in haar woning investeert.
Als puber kon ze niet wachten tot ze weg kon. “Het was een saai dorp. Er was niks te beleven,” vertelt ze. “Maar nu zie ik hoe mooi het hier is en hoe fijn het wonen is. Het is heel dorps en gemoedelijk. Het is groter geworden dan in mijn jeugd, maar nog steeds kleinschalig. De mensen zijn vriendelijk. En het zit zó dicht bij de stad: in tien minuten ben je in Utrecht of Amersfoort. En overal is bos. Je kunt aan alle kanten het bos in. Het is gewoon heel mooi. Dat klinkt misschien een beetje truttig, maar het is echt een prachtige omgeving om in te wonen.”
Ik merk op dat ze het niet alleen over de omgeving heeft, maar ook over de mensen. Hoe gaan de inwoners van Den Dolder met elkaar om?
“Mensen zijn vriendelijk en behulpzaam,” zegt Angela. “Er zijn verschillende buurtgroepen. We zeggen elkaar goedemorgen. We staan voor elkaar klaar als buurt.”
We lopen bij Angela de hoek om en staan eigenlijk meteen buiten de wijk. Voor ons ligt een smalle loop- en fietsbrug over de snelweg, de bossen in. We moeten regelmatig opzij, er is veel verkeer. Aan de overkant liggen al sinds jaar en dag verschillende klinieken: Reinaerde voor mensen met een verstandelijke beperking, een GGZ-kliniek voor ouderen en Vivoor met onder andere een tbs-kliniek.
Terwijl we oversteken, raast een oudere man hard voorbij op een scootmobiel. Even later komen er meerdere jongeren met een beperking vrolijk zwaaiend op hun fiets langs. Angela is het gewend. “Je kijkt altijd even wie er van de overkant aankomt,” zegt ze. “Vaak zijn het cliënten van de instellingen.”
Ik vraag haar wat Den Dolder nou echt bijzonder maakt, en wat misschien weinig mensen weten.
“Allereerst de prachtige ligging,” zegt ze. “Kijk om je heen: een heel mooi bos. En het is centraal. Er is een station, in tien minuten ben je in Utrecht of Amersfoort.” Ze lacht: “We zijn ook het sausenhart van Nederland, met Remia en alle frietsauzen. Maar het belangrijkste vind ik het dorp zelf. Het is gewoon een mooi dorp in een prachtige omgeving. Een leuke plek om te wonen.”
We lopen verder. “Dit stuk ligt hemelsbreed misschien tweehonderd meter van mijn huis,” legt Angela uit. “Je loopt de brug over en je staat in het bos.” Ze wijst op de verschillende klinieken. Die horen al lang bij Den Dolder.
Angela vertelt dat haar opa als klein jongetje al stond te kijken hoe patiënten werden aangevoerd en opgenomen. “Het is al heel lang zo dat hier klinieken zijn,” zegt ze. “Alleen de populatie is veranderd. Vroeger waren het andere patiënten dan nu.”
Ik vraag hoe ze dat verschil heeft gemerkt.
“Vroeger maakte ik me als meisje druk of er een verstandelijk beperkte, wat verwarde man achter me aan kwam rennen. Dat vond ik spannend. Nu vraag ik me af: heb ik een moordenaar achter me aan lopen? Of iemand die mij, mijn kinderen of mijn buren iets wil aandoen? Dat is een andere zorg dan vroeger.”
Als kind sta je onbevangen in het leven, zegt ze. Ze vertelt over “Jantje Handje”, een patiënt die dan achter de kinderen aanliep omdat hij graag een hand wilde vasthouden. “Dat vonden we toen heel spannend,” zegt ze. “Maar nu denk ik: als dat de grootste zorg was, viel het best mee. Nu is mijn grootste zorg of mijn dochter, als ze hier fietst, wel weer veilig thuiskomt.”
Ik vraag hoe oud haar kinderen zijn. Haar oudste dochter is 18, de jongste 8. Haar dochter rijdt door dit gebied als ze naar haar paard gaat, en ze heeft hier op het terrein stage gelopen. Angela zegt dat ze zich daar echt zorgen over maakt. “Ik vind het zorgelijk dat je je als ouder in je eigen dorp moet afvragen: hoe gaat het met mijn kind, wat kan er gebeuren?”
Dan komen we op de gebeurtenissen die daar direct mee te maken hebben: de moord op Anne Faber en het recente dodelijke steekincident. Angela woont al lang genoeg in Den Dolder om beide periodes bewust te hebben meegemaakt.
Ze vertelt dat er vóór Anne Faber al overlast en incidenten waren. Er werden bijvoorbeeld auto’s in brand gestoken door patiënten van de instelling. Dat was voor haar het moment om zich meer te gaan verdiepen in de vraag: met wie hebben we eigenlijk te maken? Er werden meldingen gedaan, onderzoek gestart. Vanuit een comité werd ze met anderen uitgenodigd door Altrecht voor een gesprek en rondleiding. Ze kregen toelichting over de doelgroep en over het feit dat er ook mensen met een strafrechtelijke titel werden behandeld. “Ik wist dus wel dat er zwaardere cliënten zaten,” zegt ze. “Maar hoe zwaar precies, wist niemand echt.”
Toen Anne Faber vermist raakte, sloot Angela zich aan bij de zoekacties in de bossen. “Maar op een gegeven moment kwam toch die gedachte: wat als iemand van de kliniek hier iets mee te maken heeft?” Toen later bleek dat de dader inderdaad vanaf het terrein van de kliniek kwam, was dat een schok. “Dan besef je nog veel bewuster waar je naast woont.”
Na die periode ontstonden er gesprekken met de gemeente. Met toenmalig burgemeester Koos Janssen werd een klankbordgroep opgezet. Eerst gericht op veiligheid en verbetering, daarna ook op manieren om het dorp weer leefbaar en leuk te maken: theatervoorstellingen, poppodia en andere initiatieven. Samenwerking tussen bewoners en instellingen, zodat je elkaar ook in positieve context ontmoet.
Ik vraag of die initiatieven de angst wegnemen.
“Nee,” zegt Angela eerlijk. “Het helpt wel, maar de angst is niet weg.” Ze vertelt dat haar oudste dochter, toen die een scooter had, van haar niet meer via het terrein mocht rijden. Ze moest buitenom, via de provinciale weg, langs de McDonald’s en dan via een andere route de duinen in. Dat kostte haar tien minuten extra, maar Angela vond het veiliger. Ook de speeltuin in de wijk liet ze haar kinderen lange tijd niet alleen bezoeken. Er waren incidenten geweest met cliënten en dat maakte haar voorzichtig. “Veiligheid is misschien een subjectief gevoel,” zegt ze, “maar dit is wel hoe ik het beleef. Het heeft echt impact op hoe ik dagelijks leef.”
Dan gaan we naar 2 januari 2025, de dag van het dodelijke steekincident in het dorp.
Angela hoorde het eerst via een bericht in een WhatsApp-groep. Ze keek of ze zelf iets had gezien of wist, stuurde het bericht door, en nam direct contact op met de wijkmanager. “Ik heb hem meteen gezegd: als dit door iemand uit de kliniek is gedaan, hebben we opnieuw een groot probleem in het dorp. Wees je daarvan bewust. En als dat zo is, moeten we weer met elkaar om tafel.”
Even later zat de wijkmanager al bij haar aan de keukentafel. Angela maakte duidelijk hoe ernstig het was als er binnen zo korte tijd wéér zoiets gebeurde vanuit een instelling. “Dat kan gewoon niet,” zegt ze. “Dat is voor een dorp niet vol te houden.”
Ze vertelt ook dat het slachtoffer iemand was die juist stond voor verbinding. Iemand die bezig was met de vraag: wat kunnen we samen doen, hoe werken we goed samen met de klinieken? “Dat maakt het extra wrang,” zegt Angela. “Het is zo zuur.”
We lopen ondertussen door het gebied waar de klinieken staan. Cliënten werken in de openbare ruimte, anderen maken een dagelijkse wandeling richting Den Dolder. Sommigen zijn bewoners van Reinaerde, anderen van Vivoor. Ik vraag Angela hoe het voor haar is om hier nu rond te lopen, na alles wat er is gebeurd. Voelt ze zich veilig genoeg?
“Ik kom hier eigenlijk nooit,” zegt ze. “Alleen als er iets besproken moet worden. Ik ga hier niet zomaar wandelen of mijn hond uitlaten. Dit is niet ‘mijn’ stuk bos. Ik voel me hier niet oké. Het gebied is prachtig, maar ook donker en beladen. Er is zoveel gebeurd. Dat voel je.”
Ze vertelt dat ze wél graag in andere bosgebieden rondom Den Dolder komt. Daar voelt het lichter en vrijer. “Hier zie je hekken, prikkeldraad, hoge omheiningen. Ik ga ook niet voor mijn plezier langs een gevangenis lopen. Zo voelt het een beetje. We hebben een schitterend gebied, maar ook een zwaar beladen gebied.”
Tegelijkertijd benadrukt ze dat Den Dolder als dorp altijd gewend is geweest aan de aanwezigheid van psychiatrische cliënten. Haar vader kende dat al uit zijn jeugd. “Zij maakten bijna onderdeel uit van het dorp,” zeg ik. “Ze deden boodschappen, gebruikten dezelfde voorzieningen.” Dat is eigenlijk nooit het punt geweest. De spanning zit in de combinatie van zware strafrechtelijke problematiek, ernstige incidenten en een kleine, hechte dorpsgemeenschap.
We praten nog lang door, terwijl het gelukkig weer wat droger wordt in de bossen. Ik merk de enorme bevlogenheid van Angela. Na elk incident staat ze weer op, zit ze met instanties aan tafel, maakt ze deel uit van een klankbordgroep en ontvangt ze zelfs een staatssecretaris. Ik vraag haar waar die drive vandaan komt.
“De beste stuurlui staan aan wal,” zegt ze. “Iedereen kan overal wat van vinden, maar ik vind het belangrijk om ook iets te dóen. Mee te denken, betrokken te zijn. Dat kan soms door anderen als lastig worden ervaren, maar ik vind het belangrijk om niet alleen aan de zijlijn te staan.” Via eerdere acties, petities en gesprekken rolde ze vanzelf in verschillende klankbordgroepen. “Het gaat een beetje vanzelf. Je bouwt contacten op met mensen in organisaties, met de wijkmanager, met de gemeente. Dan ga je door.”
Ik vertel haar dat ik het mooi vind hoe open ze haar verhaal deelt. Het is háár verhaal, zeg ik. In het dorp zijn natuurlijk ook andere perspectieven en meningen. Niet iedereen kijkt precies hetzelfde naar de klinieken, naar veiligheid of naar de gemaakte keuzes. Ik vraag hoe je dan in zo’n klein dorp met elkaar omgaat.
Angela zegt dat zij zelf probeert het simpel te houden: vriendelijk groeten, lief zijn voor je medemens. “Als een ander het anders ervaart of anders wil, dan is dat aan diegene,” zegt ze. “Daar heb ik geen invloed op. Maar het ís zo dat er in wijken en straten anders met elkaar wordt omgegaan dan voorheen. De verdeeldheid is soms voelbaar. Ik had het fijn gevonden als die verdeeldheid voorkomen had kunnen worden. Tegelijk weet ik niet hoe. De gemeente heeft veel gedaan, er is democratisch besloten en toch is er altijd wel iemand ontevreden. Dat hoort misschien ook bij het leven.”
Aan het eind van ons gesprek bedank ik Angela. Ze vertelt dat ze het zelf ook een fijn gesprek vond.
Voor mij was het een bijzonder gesprek. Angela verwoordt heel goed de liefde voor het dorp Den Dolder en de warmte die ze voelt, én de schaduwkanten: de ingrijpende gebeurtenissen, de zorgen, de verdeeldheid. Hoe ga je om met zulke heftige situaties? Wat betekent dat voor je kinderen? Hoe geef je het een plek en ga je verder? Haar betrokkenheid in het dorp vind ik indrukwekkend. “Je kunt wel stilzitten,” zegt ze, “maar dan gebeurt er in ieder geval niets.”
Ik denk dat dit gesprek een mooi inzicht geeft in de warmte van het dorp én de problematiek die daarbij is gekomen. En uiteindelijk in het besef dat je het alleen samen met elkaar kunt doen.
Dit was weer een aflevering van De Stem van Zeist. Heb jij een stem die gehoord moet worden? Ga dan naar zeist.nl/contact. Deel deze podcast vooral met je buren, collega’s en vrienden in de omgeving en druk op volgen, zodat je geen aflevering mist. Vind je deze podcast interessant? Ga dan naar ‘beoordelen’ in je podcastapp en geef ons vijf sterren. Dan kunnen anderen deze podcast ook makkelijker vinden. Tot de volgende keer.